V1-bommen

in West-Vlaanderen

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Geschiedenis

Hoe het allemaal begon

Gedurende de eerste oorlogsjaren werd het al snel duidelijk dat de Luftwaffe niet bij machte was het krachtige luchtoffensief van Engeland te doorbreken. Duitsland had nagelaten om lange-afstandsbommenwerpers te ontwikkelen. In de jaren dertig werden enkele prototypes gebouwd onder leiding van Walther Wever zoals de Dornier Do-19 en de Junkers Ju-89. Maar bij een vliegongeval kwam Wever om en zijn opvolger Albert Kesselring had het op duik-en jachtbommenwerpers begrepen zodat de verdere ontwikkeling halt hield.               

junkers  dornier 

 Junkers Ju-89      

 Dornier Do-19


Een tijdje later trachtte men de achterstand in te halen en werd de ene na de andere zware bommenwerper gemaakt. Allemaal toonden ze te veel gebreken waardoor massaproductie onmogelijk werd.

De geallieerden boekten veel succes en het Duitse volk werd getroost met de zekerheid dat de Engelsen een verschrikkelijk lot te wachten stond met hun nieuwe geheime wapens. Men wist wel met zekerheid dat een Duitse nederlaag niet verhinderd kon worden maar de duur en het verloop ervan zouden sterk wijzigen.

De Duitsers waren zeker bezig met het ontwikkelen van geleide wapens. Dit bleek althans voor het eerst in augustus 1943. Engelse oorlogsbodems en handelskonvooien werden voor de Spaanse kust bestookt door Duitse duikbommenwerpers die waren uitgerust met de HS-293, een radiogestuurd projectiel met een springstoflading van 500 kg. Van dan af ging het in volle vaart. Nieuwere types werden bedacht, verbeterd en daarna gebruikt, zoals de Fritz-X tegen Italië en de Engelsen, de Mistel in 1944 tegen de geallieerden. Deze werden enkel met succes afgevuurd door vliegtuigen op schepen. Maar dit trok weinig aandacht. De Engelse bevolking werd pas ernstig bedreigd toen de eigenlijke vergeldingswapens werden afgevuurd: de gevreesde V1 en V2.

 Fritz

 Mistel

Fritz-X   

Mistel 

                                     
De Duitsers waren de eersten die theoretisch onderzoek verrichten naar de toepassingsmogelijkheden van raketten. Leger en luchtmacht bezaten een gezamenlijk researchcentrum te Peenemünde, gelegen op het schiereiland Usedom in de Oostzee. In de jaren dertig werden daar al experimenten met raketten uitgevoerd. Militair bevel werd gegeven door Dornberger maar het onderzoek werd geleid door geleerden zoals Wernher von Braun, die gekend is voor zijn medewerking aan de Amerikaanse ruimtevaart.

Al in 1942 waren op de basis van Peenemünde enkele geslaagde raketproeven voltooid. Men slaagde er zelfs in een raket van 5 ton een afstand van 200 km te laten afleggen. Ook de proeven met in de Fieseler-Werke ontworpen Fi-103 "Kirschkern", de latere V1, werden daar uitgevoerd. De V1 had een aantal interessante voordelen. De constructie was eenvoudig, slechts 300 manuren per exemplaar. Transportproblemen waren er evenmin. Vervoer per vrachtauto of spoorwagon was mogelijk en ook de lancering was betrekkelijk eenvoudig. De V1 kon zowel door vliegtuigen afgeschoten worden als van op een lanceerhelling.

 V1 aan vliegtuig

 V1 op lanceer instelling

 V1 aan vliegtuig   

    V1 op lanceerhelling

                              
In september 1943 kregen de Volkswagenfabrieken te Wolfsburg en de Fieseler-Werke te Kassel de opdracht om samen 50 000 V-1's te produceren. Om eventuele luchtaanvallen te vermijden werd een ondergrondse fabriek bij Nordhausen in de zuidelijke Harz gebouwd. Ook werden 40 000 arbeiders ingezet om lanceerinrichtingen te bouwen langs de Franse Kanaalkust.

Dan is het eindelijk zover. Een week na de geallieerde landing in Normandië zetten de Duitsers de V1 voor de eerste keer in. Op 13 juni 1944 werd Londen voor het eerst getroffen door een V1, afgeschoten door het Flakregiment 155 onder bevel van kolonel Max Wachtel. Van dat ogenblik af vielen een slordige 2700 V1's op Londen gedurende 3 weken. Meer dan een miljoen inwoners van Londen werden geëvacueerd.

 

V1 op Londen
 


De meeste bommen werden afgeschoten vanuit Noord-Frankrijk. De Duitsers maakten ook gebruik van vliegtuigen om de V1's te lanceren. Vliegtuigen van het type Heinkel-111 waren hiervoor het meest geschikt. De bom werd onder de stuurboordvleugel opgehangen en op korte afstand van het doelgebied losgelaten. Ze vlogen daarna terug om een nieuwe op te halen.

V1 onder een He-111 

 V1 afgeschoten van een He-111

 Een V1 vastgemaakt onder een He-111    

 Een V1 net gelanceerd door een He-111

                            
De geallieerde opmars door Frankrijk beroofde Duitsland van de daar aanwezige lanceerinrichtingen. De laatste V1 werd dan ook afgeschoten op 1 september 1944. Daarna verplaatsten de Duitsers hun lanceerbasissen richting Nederland en Duitsland. Ook Antwerpen werd een belangrijk doelwit. De haven was een belangrijk onderdeel in de bevoorrading van de oprukkende legers. Dit lukte niet de volle 100 procent, maar de stad zelf werd zwaarder getroffen.

Tot januari 1945 zetten de Duitsers de lancering via vliegtuigen voort. In totaal werden meer dan 1700 V1's op deze wijze gelanceerd.

De V1 had zoveel nadelen, dat de nieuwe bom "de V2" meer gebruikt werd. De V1 kon men namelijk ook neerhalen en vernietigen voor hij zijn doel bereikte.