V1-bommen

in West-Vlaanderen

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Duitsers

Het bouwen van de Atlantikwall en de V1-, V2- en V3-basissen was het werk van de Organisation Todt (OT),  die aanvankelijk geleid werd door Friz Todt (vandaar de naam).  Na zijn overlijden in februari 1942, nam Albert Speer de leiding over.  De OT droeg olijfgroene uniformen.
De organisatie werkte met privé-firma's en collaborateurs.  Zo is de "gerestaureerde" zware V1-basis Val Ygot in Ardouval (Seine Maritime) gebouwd door de Belgische firma Trama.  Naarmate geheimhouding belangrijker werd - zeg maar na de bombardementen op de grote betonconstructies in de zomer van 1943 - werd er meer en meer een beroep gedaan op dwangarbeiders onder wie veel "Ostarbeiter", uit de veroverde Oost-Europese gebieden.
Voor de lichte V1-basissen in West-Vlaanderen (de 9de Afdeling) werd het werk uitzonderlijk toegewezen aan de Eerste SS-Bouwbrigade.  Voordien had die brigade onder het bevel van commandant Maximilian List ruim een jaar gewerkt aan de Atlantikwall op het Britse Kanaaleiland Alderney.  De arbeiders kwamen uit de concentratiekampen van Sachsenhausen (730) en Neuengamme (270). Hoewel de blauw-wit gestreepten "Russen" werden genoemd, kwam maar de helft uit de voormalige Sovjetunie, 20% waren Duitsers en 30% Polen, Tsjechoslowaken, Fransen en Nederlanders.  De Duitse bewakers van de Eerste SS-Bouwbrigade waren een SS-Totenkopfeenheid van het concentratiekamp Neuengamme (bij Hamburg). De SS droeg zwarte pakken.  Het SS-regime was wreder dan dat bij de OT.  Er ontsnapten niet alleen gevangenen.  Naarmate de bevrijders naderbij kwamen, deserteerden ook meer en meer SS'ers.  Kort voor de Bevrijding werden in een bosje bij St.-Sxtus een Feldwebel (sergeant) en zijn hond neergeschoten bij een klopjacht op een deseteur.

De SS-bewakers op Alderney waren met 60. De helft daarvan waren Rijksduitsers, de andere helft kwamen uit de Elzas, Kroatië, Polen, Sudetenland en Slowakije. De SS'er die bij "de grote vlucht" uit Kortemark op 1 september in de lucht schoot, was een Pool (volgens Georges Zvoborski). Wellicht zijn die bewakers aangevuld met OT-bewakers om de bouwwerven in West-Vlaanderen te bewaken. De Duitsers die op de hoeve van de gebroeders Inion ingekwartierd waren en de basis van het Canadabos bewaakten, droegen in elk geval groene uniformen (volgens Sylvère Inion).

Commandant List werd in april 1944 opgevolgd door Obersturmführer Georg Braun (Obersturmführer is een SS-graad die overeenstemt met Oberleutnant bij de Wehrmacht). Terzelfdertijd werd "Wachführer" Kurt Klebeck vervangen door Untersturmführer (onderluitenant) Kuhlmann.  De gevreesde ondergeschikten bleven echter bij de brigade. SS-Unterscharführer Roland Puhr, Hauptscharführer Otto Högelow, chef van de wachtposten en politiek een fanaticus en Kurt Wittwer, "Arbeitsdienstführer"en "erg gevreesd".   Tegen alle drie, net als tegen Klebeck, werden na de oorlog talrijke dodelijke aanslagen ten laste gelegd en vonnissen uitgesproken tot tien jaar opsluiting.   Ook commandant List werd door de gevangenen verantwoordelijk gesteld omdat hij liet betijen.

Toen de Eerste SS-Bouwbrigade in Neuengamme gevormd werd, koos men mensen uit met ervaring in de wereld van de bouw.  Je had ook de kans om een opleiding te volgen.  Dat gold ook voor het leidinggevend personeel.  List was een bouwingenieur, Wittwer was metselaar en Högelow dakdekker.

 
 De V1 was een project van de luchtmacht dat het tekort aan bombardementsvliegtuigen diende op te vangen. Toch is het een SS-eenheid die de eigenlijke lanceringen uitvoerde: het 155ste Flakregiment van kolonel Max Wachtel, in de Eerste Wereldoorlog nog een artillerieofficier.  Het ging uiteraard om een codenaam want dat regiment beschikte niet over luchtafweer (Flak).  Daardoor zouden ze immers hun gecamoufleerde stellingen verraden hebben.
Omdat er  naast het V1-programma van de Luftwaffe, ook nog een V2-programma van de Wehrmacht bestond, waren beide projecten ondergeschikt aan het 65ste Armeekorps van luitenant-generaal Heinemann.  Maar Heinemann was met zijn 67 jaar niet meer zo jong, zodat Wachtel feitelijk autonoom handelde.
Het 155ste Flakregiment bestond uit vier bataljons (I, I, II en IV).  Per bataljon waren er vier vuurbatterijen en twee toevoerbatterijen.  Een vuurbatterij stond in voor vier lanceerhellingen.  Per helling dienden 65 man personeel de eigenlijke lanceringen uit te voeren. Het bataljon had een staf van 60 man, een vuurbatterij één van 40 man.

 

Het bataljon dat in West-Vlaanderen in actie zou treden was het IVde (met de 13de, 14de ,15de en 16de batterij), dat was overgeplaatst uit Normandië (regio Rouen-Dieppe).  Het bataljonshoofdkwartier was voorzien in Dadizele, de batterijhoofdkwartieren in Poperinge, Vlamertinge, Langemark en Izegem.  De batterij Poperinge was het verst opgeschoten al was er maar één basis van een lanceerhelling voorzien (die van het Helleketelbos).

Er waren ondergrondse depots voorzien op de Kemmelberg (wellicht in de Lettenberg volgens Laurent Bailleul) en op de Rodeberg, maar die zijn nooit ingericht. In augustus 1944 besliste het opperkommando van het 65ste Legerkorps, dat de acties van de V1 en de V2 diende te coördineren, om meer naar het zuiden ondergrondse depots uit te graven. De West-Vlaamse basissen zouden uiteindelijk bevoorraad worden vanuit het domein Calemont (bij Ruien) en vanuit een tweede depot in de buurt van Doornik.

 Maar er werd ook veel geïmproviseerd.  Volgens getuigen Jozef Devloo en Camiel Decleir van Kortemark, was er ook een opslagplaats in een thans verdwenen loods van "Ketelaeres" langs de weg Torhout-Lichtervelde. In het kasteel van Boezinge was er een brandstofdepot.