V1-bommen

in West-Vlaanderen

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Alderney

In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, was niet de Franse Kanaalkust de sterkste schakel in de Atlantikwall.  Nee, die eer viel de Britse Kanaaleilanden Jersey, Guernsey en Alderney te beurt.  Om prestigeredenen hield Hitler er om en bij de 35.000 man gestationeerd.  Op D-Day werden die eilanden niet aangevallen.  De bezettingstroepen gaven zich pas over toen de oorlog in West-Europa al voorbij was, op 9 mei 1945.

 

Op Jersey en Guernsey waren heel wat eilandbewoners gebleven; de bevolking van Alderney was grotendeels geëvacueerd naar Groot-Brittannië, op vrijwillige basis.  Op Alderney was de Organisation Todt al flink opgeschoten met de werkzaamheden aan de Atlantikwall toen in maart 1943 de Eerste SS-Bouwbrigade er toekwam en werd ondergebracht in een van de vier werkkampen, met name dat van Sylt in het zuidwesten van het eiland. 

 

De SS-Bouwbrigades waren in het najaar van 1942 opgericht om puin te ruimen in de gebombardeerde Duitse steden.  De Eerste SS-Bouwbrigade bestond uit gevangenen van de kampen Sachsenhausen (730) en Neuengamme (270).  De Duitse bewakers waren een SS-Totenkopfeenheid eveneens uit Neuengamme. De administratie van de brigade was in Neuengamme.  Alderney was dus een bijkamp van Neuengamme.  Dit geldt ook voor Kortemark en Proven.

 De Eerste SS-Bouwbrigade  werd het eerst ingezet in Düsseldorf (600) en in Duisburg (400).  In Düsseldorf  vallen er al meteen 111 doden door de zware arbeid, de honger en door geweld van de bewakers.  Bewakingschef Otto Högelow en Kurt Wittwer, die de hele tijd bij die brigade zullen blijven, vallen dan al op door hun wreedheid. Op het eiland Alderney heeft de brigade  gewerkt aan het graven van sleuven in de harde grond voor telefoonlijnen, aan de bouw van batterij St. Anne, aan het egaliseren van het vliegveld en aan de bouw van versterkingen en personeelsbunkers.  Voor de komst van die brigade was kamp Sylt al bekend als het hardste.   De SS-bewakers met hun honden maakten het nog moeilijker. 

 

Overlevenden van de Eerste SS-Bouwbrigade, met jaren kampervaring, vonden Alderney het ergste.  De Nederlandse dokter Gommert Krijger getuigt dat na ruim een jaar (maart 1943-juni 1944) de 1.000-man sterke brigade al bijna gehalveerd was.  "Bijna elke dag stierven jonge mensen van honger en uitputting."  Van die brigade was 85% tussen 18 en 25 jaar jong.  Wie te zwak was om te werken, werd buiten de afsluiting geëxecuteerd en ingeschreven als "neergeschoten op de vlucht".  Wie voedsel wegnam kreeg de strop, wat werd geboekt als "zelfmoord".  Een enkeling stierf ook na het eten van wilde planten, zoals de wortels van de dollekervel.  In de "Goelag Archipel" schrijft Alexander Solzjenitsyn over de ratten in de barakken.  In kamp Sylt aten ze die op! Toen in de zomer van 1943 een dysenterie-epidemie uitbrak, werden 150 zieken terug naar Neuengamme gestuurd voor vergassing. Onderweg wisten er twaalf te ontsnappen. De Noorse dokter Ole Fossen, die geweigerd had zieken te doden door ze lucht in de aders te spuiten, reisde mee, maar overleefde de oorlog.

Tussen 17 december 1943 en 7 januari 1944 werd de hele Eerste SS-Bouwbrigade verscheept naar Cherbourg.  Het lag in de bedoeling om ze naar Watten te voeren om er te werken aan de V2-installaties van Eperlecques.  Maar na protest van de Organistion Todt, die een derde van haar mankracht op Alderney verloor, kwamen ze terug naar Sylt.

 

Kort na D-Day (op 22 juni 1944) werden de 634 overlevenden verscheept naar St.-Malo en vervolgens op een trein gezet richting België.  Men diende herhaaldelijk de route om te leggen omdat  de sporen gebombardeerd of opgeblazen waren.  Soms diende men dagen te wachten voor de reis verder kon.  En dan waren er de ontsnappingspogingen waarbij er zeker 27 gevlucht en 26 neergeschoten zijn.  Over Rennes, Tours, Dijon, Nancy en Namen kwamen er op 29 juli uiteindelijk nog 553 aan in Kortemark, waar ze werden verdeeld over twee kampen: 335 bleven in Markhove, 218 trokken naar Proven.

Bij de werkzaamheden aan de V1-basissen in West-Vlaanderen (29 juli - 1 september 1944) kwamen nog eens negen dwangarbeiders om het leven en konden er tientallen ontsnappen.  Wat overbleef van de Eerste SS-Bouwbrigade kwam via Sollstedt, waar ze mijngangen moesten graven om oorlogsbuit te verbergen, uiteindelijk terecht in Steyr-Münichholz, een buitenkamp van Mauthausen (bij Linz, Oostenrijk) waar ze op 5 mei 1945 bevrijd werden door de Amerikanen.