V1-bommen

in West-Vlaanderen

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

V1 technisch

2. De V1 technisch 

De bouw van een V1 is relatief simpel.  Een plaatstalen romp, opgebouwd uit losseelementen met erboven op een pulsejetmotor. Voorzie het geheel van eenautomatische piloot en het vliegtuigje kan aan de lopende band geproduceerdworden.  Op een lanceerhelling worden deonbemande vliegtuigjes in de lucht gekatapulteerd om daarna zelfstandig met eensnelheid van 600 km/hrichting Londen, Antwerpen of een minder belangrijk doelwit te vliegen.  Een half uurtje na de lancering wordt demotor afgezet en stort de V1 zich naar beneden om er zijn verwoestende werk tedoen.

 De automatische piloot 

Nadat de V1 de lanceerhelling had verlaten, was hetvliegtuig quasi voor de volle honderd procent aangewezen op zijn automatischepiloot.  Deze werd net voor de lanceringafgesteld en bijgeregeld in de richttent.

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/drukregelaar.jpg

 Drukregelaar en automatischepiloot. 

Omdat de elektronica tijdens de Tweede Wereldoorlog nog inhaar kinderschoenen stond, was de sturing volledig elektro-pneumatischuitgevoerd. Door perslucht aangedreven gyroscopen, drie om precies te zijn,leverden het vliegtuig informatie over zijn beweging rond de assen.  Tegelijk vertelde het magnetisch kompas inwelke richting het doelwit te vinden was. De combinatie van deze gegevens werd doorgestuurd naar de verschillenderoeren, die koers, helling en “rol” regelden. De rol-beweging was nog beperkttot het waterpas vliegen van de V1.

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/gyroscoop.jpg

Kompas en gyroscopen 

Het moment waarop de automatische piloot de motoruitschakelde, door de brandstoftoevoer af te sluiten, werd bepaald door hetaantal omwentelingen dat een klein schroefje op de neus van de vliegende bomtot dan toe had gemaakt.  Gelijk met hetafzetten van de motor, werden de hoogteroeren volledig naar beneden geklapt,waardoor de V1 razendsnel hoogte verloor en zich verticaal de grond inboorde.  De Londenaars noemden de V1 nietalleen “doodlebug” (naar de vettigelarve van de mierenleeuw) en “buzzbomb”(naar het snorrende geluid), maar ook “diverbomb” omdat hij het laatste stuk van zijn traject in duikvluchtaflegde.  “Diver Alley” of “Bomb Alley”was dan de corridor in zuidwestelijke richting, van waaruit het gevaar konopduiken.  Eens de Londenaars de motorvan een V1 hoorden afslaan, hadden ze nog luttele seconden om de schuilkeldersop te zoeken. De V2, die bijna vijfmaal zo snel vloog als het geluid (5.500 km/h tegenover 600voor de V1), was vooraf niet te horen.

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/afstandsmeter.jpg

Afstandsmeter 

Al bij al kon de automatische piloot zijn doel bereiken meteen afwijking van 2°, wat na een vlucht van 250 km, neerkwam opgemiddeld 12 km.In Londen was het mikpunt Tower Bridge.  Die mooie brug bij de Tower is maar één keer geraakt, op 2 augustus 1944.

Omdat de Engelse pers zweeg over de inslagen en in een laterstadium zelfs over de woonplaatsen van de overleden slachtoffers, kregen deDuitsers weinig of geen feedback. Daarom rustten zij één op de tien V1’s uitmet een 130 meterlange sleepantenne, die pas ca. 50 km voor het doel een signaal uitzond.  Op die manier konden drie peilantennes bijbenadering het inslagpunt berekenen.[i]

 Perslucht 

Perslucht was van cruciaal belang om de V1 goed te latenfunctioneren.  Zonder perslucht zou eenV1 hooguit enkele honderden meter na de lancering te pletter zijn gestort.  Ongeveer 25 minuten, zolang duurt het om ca. 250 km af te leggen tegen600km/h. Zolang moesten drie gyroscopen, een kompas en de sturing van de roerenvan perslucht voorzien worden.  Hiervoorwerden twee stalen bollen ingebouwd.  Omhet gewicht te drukken nam men dun plaatstaal omwonden met staaldraad.

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/persluchtbol.jpg 

                                 Persluchtbol omwonden met staaldraad

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/Kamiel.jpg 

Vervuiling van het persluchtsysteem en in het bijzonder vandat van het kompas, kon de besturing in de war sturen.  Een zandkorrel kon al genoeg zijn. Ruim 1%van alle gelanceerde V1’s begon rondjes te vliegen.  De Duitsers hadden het dan over een “Kreisläufer”.  Dit probleem bleef hen tot op het einde vande oorlog parten spelen. 

Het tiende burgerslachtoffer in West-Vlaanderen, CamielDequecker (foto) uit de Klytte(Heuvelland), kwam op 27 juli 1944 om het leven door zo’n “Kreisläufer”. Hijwas op een aardappelveld aan het werk en sloeg op den duur geen acht meer opdat ding dat maar in het rond bleef vliegen. Tot dat ding na verloop van tijd zijn duikvlucht inzette en Camiel eendodelijke slag toebracht.  Ontploffendeed de V1 niet, ook niet na 30 minuten, waaruit blijkt dat hij meer technischemankementen vertoonde.  Uiteindelijkbrachten de Duitsers de V1 zelf tot ontploffing, wat heel wat schade aanrichtteaan de hoevegebouwen van het echtpaar Leon Van Oost- Judith Saint-Germain.[ii]

 Springlading 

We spreken de hele tijd over dé V1, maar eigenlijk zijn erin tien maanden tijd in totaal tien verschillende versies ontworpen, waaronderook een bemande, de Reichenberg. In tegenstelling tot zijn Japanse evenknie, deOkha, werd die niet ingezet. Van die tien versies verschilden alleen de laatstetwee (G1 en H1 vanaf maart 1945) grondig van de eerste (A1).

 

Springstof

Brandstoftank

Reikwijdte

Topsnelheid

A1

830 kg

690 liter

238 km

644 km/h

G1

450 kg

1030 liter

375 km

733 km/h

 

Het verschil zat ‘m vooral in de brandstoftank.  Met de terugtocht van de Duitse troepen,kwamen de beoogde doelwitten steeds verder te liggen en had de V1 meerbrandstof nodig om die doelen nog te bereiken. Een gevolg hiervan was dat hetvolume, dat voorzien was voor de springstof, diende in te krimpen.  In maart 1945 werd van amatol, dat op zich al krachtiger is dan TNT, overgeschakeld op eennog krachtiger springstof, nl. Trialen.  Die bestond voor 40% uit TNT, voor 40% uithexogeen en voor 20% uit aluminium.

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/springlading.jpg

Springlading en grondcontact 

De V1 was uitgerust met verschillende ontstekers.  Zowel in de neus, onderaan als bovenaan warencontactontstekers aangebracht.  Om tebeletten dat geallieerde piloten de V1 met de vleugel van hun vliegtuig uitbalans brachten, plaatsten de Duitsers ook ontstekers onder  de tippen van de vleugels.  Geallieerde piloten ontdekten  al gauw dat de V1’s, die zij “noballs” noemden, ook uit evenwichtkonden raken door de vleugel van hun toestel onder die van de V1 te brengen ende luchtwerveling het werk te laten doen. Dit bleef echter de uitzondering. Een geallieerde piloot diende de V1uit de lucht te schieten van op minstens 200 meter afstand, zoschreven de veiligheidsregels het voor. De Belgische kolonel Remy Van Lierde,met 37 neergehaalde V1’s en zeven vliegtuigen een van de grootste geallieerde “aces”, heeft maar één keer de“afwijkingstechniek” toegepast.[iii]

 

Naast de mechanische ontstekers, was de V1 ook voorzien vaneen tijdsontsteking, die 30 minuten na lancering de springlading totontploffing diende te brengen.  Inprincipe was de V1 dan al geland (na 20 tot 25 minuten) en had decontactontsteking gefaald.  Op een aantalplaatsen hebben toegesnelde ramptoeristen op die manier hun nieuwsgierigheidduur betaald.

Hoewel de springlading bij de V1 kleiner was dan bij de V2,richtte die laatste vaak minder schade aan omdat hij door zijn hogere snelheiddieper in de bodem doordrong voor hij ontplofte. Bovendien kon een V2 niet methoogwaardiger Trialen-springstof geladen worden omdat precies door de hogeresnelheid het risico op zelfontbranding te groot werd.

 Brandstof 

De V1 was niet bepaald een voorbeeld van economischomspringen met brandstof.  Elke 100 km joeg de pulsejetmotorer ruwweg 300 literbenzine door.  Om minder dan een half uuraan de behoeften van die slokop te voldoen, was de V1 voorzien van een 700 liter grotebenzinetank. Die stak centraal in de romp om het evenwicht van het apparaatniet te verstoren

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/brandstof.jpg

 Centraal geplaatstebrandstoftank

 

naarmate het aan gewicht verloor.  Dat gewichtsverlies verklaart ook waarom deV1 naar het einde van de rit toe, sneller ging vliegen. 

De as waar de vleugels kort voor het lanceren, opgeschovenwerden,  stak dwars door hetbrandstofreservoir heen.  Vanaf eind juni1944 waren 20% van de V1’s voorzien van kapmessen (“Kuto-nasen”) op de vleugels om zich een weg te snijden door het bosvan sperballonnen ten zuiden van Londen. Op die manier gingen er 630 ballonnen verloren.

 

Van maart 1945 af werden V1’s in gebruik genomen met eenbrandstoftank van meer dan 1.000 liter.  Dit is eenderde meer dan bij de eerste versies. De reikwijdte liep dan ook navenant optot ca. 375 km.

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/v1_reconstructed.jpg

 

 De V1 van het museum in Tosny (bij les Andelys, maar op de linkeroever van deSeine) bestaat voor 98% uit originele onderdelen en wordt op verzoek voorgroepen geopend. Het is een vroeg type, met korte springstofcontainer. Ook inBelgië staat nog een originele V1 in het museum Stampe en Vertongen te Deurne[iv].    Motor 

Op het vlak van de voortstuwing is de V1 ietsspeciaals.  Het is de enige toepassingooit van een  pulsejetmotor op groteschaal.  Een pulsejetmotor haalt zijnstuwkracht uit het versnellen van een luchtmassa.  Dit gebeurt door het herhaaldelijk latenontploffen van een massa gas in

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/pulsemotor.jpg

 Pulsjetmotor van een V1

 

een buis. De ontploffing zal de gassen dwingen te versnellennaar het open uiteinde van de buis. Immers, de andere kant van de buis isafgesloten met een rooster van metalen klepjes, die geen gas van binnen naarbuiten doorlaten.  Hierdoor krijgt demotor zijn stuwkracht.  De ontsnappendegassen trekken aan de kant van de kleppen nieuwe lucht binnen die met benzinevermengd wordt. 

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/werking_pulsemotor.jpg

 Werking van onze pulsejetmotor 

Bij het ontploffen van het gasmengsel ontstaat ook eenschokgolf.  Die overdrukgolf (bovenstepijl) zal zich naar achter bewegen en uiteindelijk aan het open uiteindeverdwijnen in de omgeving. Maar door de plotse overgang van de smalle buis naarde open lucht, ontstaat er een versnelling van de warme lucht naar buiten, diezorgt voor een zuigkracht in de buis. Een nieuwe drukgolf, maar nu onderdruk,verplaatst zich nu terug de buis in (tweede pijl van boven), waar ze botst ophet gesloten uiteinde en zich weer naar buiten beweegt (derde pijl van boven).Aan het open uiteinde gekomen, trekt die onderdruk weer lucht binnen, die opzijn beurt zorgt voor een overdrukgolf (onderste pijl) die uiteindelijk hetnieuwe mengsel laat ontploffen, temeer daar de buis een hoge temperatuur heeften er niet veel druk meer nodig is omdat het lucht-benzinemengsel vanzelf zouontbranden. . Vergelijk het maar een beetje met dieselen van een motor.  Gezien de lengte van de buis hier een rolspeelt, zal de hele cyclus zich op de eigenfrequentie van de luchtkolom in demotorbuis herhalen.  Dit noemen weautopulsatie. Bij een V1-pulsejetmotor komen we zo tot een pulsatie van 42 à 47cyclussen per seconde.  Dit geeft demotor zijn karakteristieke brommende geluid.

Opstarten en lanceren 

De V1’s die op de lanceerbasissen toekwamen, waren zo goedals  klaar voor gebruik.  In de richttent werd de V1 opgehangen aan eengalg.  De vleugels werden erop gemonteerden eenmaal het kompas juist was afgesteld en de gyroscopen draaiden, werd de V1op de lanceerhelling geschoven en werd de motor gestart met een klassiekebougie en perslucht voor de brandstof. Voor dit starten gebruikte men eenstartapparaat (Anlassgerät).  Eens de motor liep, werd de V1 weggekatapulteerd met een stoomkatapult.

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/plunjer.jpg 

De stoom van eenchemische reactie joeg een plunjer, in feite een zware metalen klos van 140 kg, door een 50 meter lange buis.  Op die plunjer stond een haaienvin die de V1meesleurde door een gleuf. Die gleuf werd meteen na de doortocht van dehaaienvin afgedicht om drukverlies te vermijden. De plunjer en de V1 haalden ophet einde van de schuine schans met een helling van 6° en na amper één seconde,een snelheid van bijna 400 km/h. Dit was nodig om de nodige druk op te bouwen om demotor stationair te doen draaien. Op eigen houtje versnelde de V1 dan nog tot 600 km/h.

 De plunjer van Val Ygot (Ardouval, Normandiê).     

 

 

Een grote metalen container voor  zuurstofwater (H2O2 of waterstofperoxide) eneen kleine van zes liter voor de katalysator. (Museum van Tosny)  http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/H202.jpg 
http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/lanceerhelling.jpg    Eenlanceerhelling. De steunblokken onder de poten ontbreken op de tekening. Heteerste (dubbele) steunblok zat vast aan de zware lanceerplaat.  

De stoomkatapult (“Dampferzeuger”)die aan de lanceerhelling vastgemaakt was, haalde de kracht om dat ruim tweeton zware projectiel weg te slingeren, uit een scheikundige reactie van tweestoffen. Als energiebron volstond 70 liter zuurstofwater of waterstofperoxide(H202 in 80 % concentratie) ook “T-Stoff” (Treibstoff)genaamd. Als katalysator werd 6 liter calciumpermanganaat (Z-Stoff C, Zündstoff) of natriumpermanganaat(Z-Stoff N) gebruikt.

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/lanceerhelling_foto.jpg   V1 op de lanceerhelling, metlinks vooraan het startapparaat met drukflessen en rechts vooraan destoomkatapult.      

Hoewel het gebruik van zuurstofwater voor de lancering vanV1’s vrij uniek is geweest, werd waterstofperoxide nog gebruikt bij deaandrijving van de torpedo’s van de Koersk. Men neemt aan dat die Russische atoomduikboot in augustus 2000 zonknadat waterstofperoxide uit een proeftorpedo gelekt was en in contact wasgekomen met roest. Net als bij de stoomkatapult, nam het volume spectaculairtoe, tot 5 000 maal, waardoor de kerosine ontplofte. Er ontstond eentemperatuur van meer dan 500°Cwaarbij de overige torpedo’s tot zelfontploffing kwamen en het voorste deel vande Koersk verwoestten.  

   
Technische gegevens van de lancering 

Af  te leggen afstand op de lanceerhelling         45 meter

Lanceertijd                                                          1seconde

Tijd op de lanceerhelling                                     0,6 seconde

Gemiddelde luchtdruk                                        58 bar

Lanceerkracht                                                      16 g

Snelheid op het einde vande helling                  111m/sec =400km/h

Energiebron (T-Stoff)                                         70 liter H2O2 (80%oplossing)

Katalysator (Z-Stoff)                                          6 liter Calciumpermanganaat

                                                                            of6 liternatriumpermanganaat

 
 

Met 600km/h vloog de V1 relatief traag.  Hij vloog bovendien vrij laag, zo’n 600 meter hoog.  Op het einde van de oorlog zelfs nog lager.Daardoor was de V1, in tegenstelling tot de V2 kwetsbaar voor geallieerde tegenmaatregelen met artillerie,jachtvliegtuigen en kabelballons. Ook het feit dat hij met een vasteconstructie gelanceerd diende te worden, was een nadeel tegenover de V2 die metmobiele installaties werd afgevuurd.

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/pulsejet_gip.jpg

 Tegen het einde van het schooljaar, in juni 2006,  slaagden Bertrand Dujardin en Steven Thoré erin om hun pulsejetmotorstationair te laten draaien. 

De actieve V1-basissen werden gebombardeerd, maar die actiesbonden uiteraard een aanzienlijk deel van de geallieerde luchtmacht.  Een tijd lang diende Bomber Command haarprioriteit van de Duitse steden naar de V1-stellingen te verleggen.  Naar schatting kwamen ruim 2.900 geallieerdemanschappen om bij raids tegen V1-basissen en gingen 443 vliegtuigen verloren[v].  Op 24 juni 1944 bijvoorbeeld kwamen negen vande tien bemanningsleden in een Amerikaans toestel om het leven toen het doorDuits luchtafweergeschut werd neergehaald boven Wulpen.  Dat toestel maakte deel uit van een groep dietwaalf V1-basissen en zes elektrische transformatiestations in Noord-Frankrijkgebombardeerd had.[vi]  Bij de Duitse lanceringstroepen kwamen maar87 manschappen om het leven.  Omdat deV1’s, ondanks alle tegenmaatregelen, Londen bleven teisteren, heeft premierChurchill overwogen om gas af te gooien boven de V1-basissen inNoord-Frankrijk.  Hij zag daaruiteindelijk van af om de burgerbevolking te ontzien.

 3. De basissen 

Vele mensen kennen wel enkele van de grote lanceerbasissenin Noord-Frankrijk.  De zware V1-basissenvan Val Ygot, bij Ardouval ten zuiden van Dieppe en die van hetAchtstratenbos  bij Hazebroek, allebeivrij toegankelijk en pas enkele jaren geleden van infoborden voorzien. DeV2-basissen van Eperlecques (“Blockhaus”)en Wizernes, die nu het museum “La Coupole” onderdakbiedt. En de V3-basis van Mimoyecques bij Landrethun-le-Nord.  Het zijn stuk voor stuk toeristischeattracties.  Wat die grote constructiesnog gemeenschappelijk hebben, is dat ze geen van allen ooit gefunctioneerdhebben.

 

De V1’s in Noord-Frankrijk zijn voor het overgrote deelafgevuurd van lichte basissen, waar er maar sporadisch wat resten van te vindenzijn en die geen van allen toeristisch toegankelijk zijn gemaakt. 

De eerste V2 is afgevuurd op 7 september 1944 in de buurt vanSt.-Vith in de Hoge Venen, hoewel er een bevel bestond om die uit de regioGent-Doornik-Ieper te lanceren.  Desnelle opmars van de Geallieerden heeft ook dat plan doorkruist.[vii]

De V3 was nog niet operationeel op het ogenblik dat de buurtvan Mimoyecques bevrijd werd (begin september 1944) al was dat tunnelcomplexvoor het ondergrondse monsterkanon (codenaam “hogedrukpomp”)  al op 6 juli1944 buiten dienst gebombardeerd. Net als de meertrapsraket of “Rheinbote” - zoals de V4 ook werdgenoemd - raakte de V3 maar gebruiksklaar op het einde van 1944. Goed hebbendie twee trouwens nooit gefunctioneerd.

 

De V1-basissen in West-Vlaanderen hebben ook nietgefunctioneerd, zij het op een haar na. Maar je moet wel in West-Vlaanderen zijn om je een idee te vormen van deenige vaste lanceerinstallaties voor geheime wapens die wel gefunctioneerdhebben. En dit is mogelijk sinds de Provincie in het najaar van 2007 tweelichte basissen toeristisch heeft ontsloten.

 Zware basissen 

Ongeveer een jaar voor de eerste lancering werd kolonel MaxWachtel (°Rostock, 1897 + 1982) gevraagd om de leiding te nemen van eenregiment dat de eigenlijke lanceringen van V1’s zou dienen uit te voeren.Wachtel was gedurende de Eerste Wereldoorlog artillerieofficier geweest en toenhet Duitse leger opnieuw werd gevormd, in 1936, koos hij voor de luchtafweer(Flak). Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Wachtel aangeduid om het 155steFlakregiment[viii] teleiden dat de V1’s lanceerde. In Antwerpen had hij een zekere Isabella de Goyleren kennen en tijdens de tweede V1-campagne, bracht dit hem in verlegenheid,want hij had ze niet uit de stad kunnen evacueren. Maar Isabella overleefde debeschietingen van haar geliefde en na de oorlog kon Wachtel naar Engelandvluchten en trouwde hij er met zijn kaalgeschoren bruid.[ix]Van 1951 af was hij directeur van de luchthaven van Hamburg-Fuhlsbüttel.

 

Het 155ste Flakregiment was –zoals de meestebenamingen – een misleidende codenaam, want die eenheid had niets te maken metluchtafweer.  In Frankrijk werd hij ook “Flakgruppe Creil” genoemd, naar deplaats waar de staf zetelde.  Deregimentsstaf zelf werd er “SonderbaustabSchmidt” genoemd, eigenlijk een onderdeel van de Organisation Todt en ze droeg ook een tijd lang het kaki uniformvan die paramilitaire organisatie en niet haar eigen zwarte SS-uniform.

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/bunker1.jpg  In juni 1943 werd teZempin, op 15 kmvan Peenemünde, een opleidingscentrum opgericht dat naar Wachtel genoemd werd:“Lehr und Erprobungskommando Wachtel”.In diezelfde maand besliste de top van het leger om van Frans-Vlaanderen tothet Normandische schiereiland Cotentin 100 V1-basissen te bouwen: vierkolossale ondergrondse bunkers en 96 veldstellingen van het zware type (“Stellungen alter Bauart”). Schietopening van de ondergrondse bunker vanSiracourt.    

 

De bekendste van die vier ondergrondse bunkers (codenaam “Wasserwerk”) is die van Siracourt bijSt. Pol-sur-Ternoise. Dit gedrocht van ruim 200 meter lang en 36 meter breed had een dakvan vijf meter dik.  Het behoort tot dezwaarst gebombardeerde doelwitten van de oorlog: 5.070 ton in 27 raids vanjanuari tot juni 1944 en het is pas in augustus 1944 in de steek gelaten.Siracourt kan bezocht worden op eigen risico.  

Op aanwijzing van het verzet kregen de geallieerden ook deV1-basissen in het oog. Als eerste die van “BoisCarré” bij Abbeville op 9 november 1943. In december 1943 startten ze OperatieCrossbow om die zware basissen uit te schakelen. Van de 96 raakten er 93vernietigd of beschadigd. Wellicht heeft er maar één van die zware basissengefunctioneerd tijdens de

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/bunker_renescure.jpg 

zomer van 1944, met namedie van Le Nieppe, een dorpje op de weg van Kassel naar St. Omer.  Dit is dicht bij Renescure, waar er een

velddepot voor V1’s was. De ruïnes van die zware V1-basisliggen in een privébos.

 Bunker van hetvelddepot in Renescure, gerecupereerd als tuinhuisje.  
 

De zware V1-basissen konden feilloos gespot worden omdat erenkele specifieke gebouwen stonden.  Wiede zware V1-basis van het Achtstratenbos bij Hazebroek bezoekt, kan zich daarzelf nog een idee van vormen.  In dat bosstaan drie ski-vormige opslagplaatsen van elk ca. 80 meter lang.  Ze konden elk zeven V1’s bergen wat eendagverbruik van 20 V1’s impliceert. Vanuit de lucht zagen ze

er uit als een ski opzijn zij. Naast een aantal betonnen constructies voor montage en opslag, is ereen bakstenen richthuis, dat bij gebrek aan bewapening, gemakkelijk in puin teschieten was.  Omdat hier het magnetischekompas werd afgesteld, mocht er in een straal van 30 meter geenferro-metalen verwerkt zitten.

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/v1_garage.jpg  Gebogen uiteinde vaneen ski-vormige garage voor V1’s.  

Ook de twee muren, die de lanceerhelling tegen nabijeinslagen dienden te beschermen, staan er nog overeind.  Al die constructies samen maakten, zeker ineen loofbos tijdens de winter, zo’n basis makkelijk te herkennen vanuit delucht. 

 
  

 DeDuitsers voerden op die zware basissen nog wat kleine werkzaamheden uit om erde geallieerde luchtmacht naartoe te blijven lokken.  En het werkte.  De zware basis van het Achtstratenbos werdeen eerste maal gebombardeerd op 24 december 1943 (begin Operatie Crossbow) eneen laatste maal op 10 mei 1944.  Op 5januari vielen er twee doden.  Op 9 meikwam er nog een Belgische arbeider om het leven.[x] 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/beschermmuren.jpg  Maar terwijl deGeallieerden de vier ondergrondse bunkers en de 96 zware basissen blevenbombarderen, waren de Duitsers volop in de weer om beter gecamoufleerdebasissen van het lichte type op te richten. Ze zouden daarvoor ook niet langercollaborerende firma’s onder de arm nemen, maar krijgsgevangenen. Dit kwam degeheimhouding ten goede, vooral als de dwangarbeiders amper een woord Frans ofNederlands verstonden. De twee beschermende muren van de lanceerhelling inhet Achtstratenbos bij Hazebroek  Lichte basissen 

Een basis van het lichte type, zoals er uiteindelijk ookzouden komen in West-Vlaanderen, heeft geen ski-vormige opslagruimtenmeer.  De nodige V1’s zouden ’s nachtsworden aangevoerd  vanuit ondergrondseopslagruimten. In Noord-Frankrijk werden daarvoor oude krijtgroevengebruikt.  In West-Vlaanderen warenaanvankelijk twee depots voorzien.  Eénin de Kemmelberg (volgens Laurent Bailleul wellicht de Lettenberg) en één in deRodeberg (“Versorgungsstellen”1031 en1032), maar die zijn nooit ingericht.  Inaugustus 1944 besliste het oppercommando van het 65ste Armeekorps,dat de acties van de V1 (Luftwaffe)en de V2 (das Heer) diende tecoördineren, om de opslagplaatsen meer naar het zuiden in heuvels uit tegraven.   

 

De IXde Afdeling van het 155ste Flakregiment inWest-Vlaanderen zou uiteindelijk bevoorraad zijn geweest vanuit het domeinCalemont in Ruien en vanuit een tweede depot in de buurt van Doornik, vianachtelijke transporten.[xi]Maar zover is het niet gekomen.  In Ruienzijn wel een aantal V1’s gestapeld die kwamen van de ontruiming van Mulag (“Munitionslager”) Leopold op 26 augustus1944.  Leopold is de codenaam voor hetgrottencomplex van Saint-Lieu d’Esserent, iets ten noorden van Creil, waar2.000 V1’s gestapeld konden worden.  InRuien dienden de graafwerken nog te beginnen en bij de terugtocht op 4september 1944 werden er 56 V1’s tot ontploffing gebracht.[xii]

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/kaart_bassissen.jpg  Kaartmet de V1-basissen in West-Vlaanderen (Koen Coopman en Steven Thoré, op basisvan het Duitse origineel, bewaard in Freiburg).  

Geen opzichtige ski-vormige opslagplaatsen op een V1-basisvan het lichte type dus, maar evenmin een richthuis.  Het richten van de V1 gebeurde nog altijd aaneen galg boven een richtplaat van 12 meter bij 12, maar het geheel zat verborgenonder een stevige tentvormige constructie op houten palen: de richttent (“Einstellzelt”). Omdat de richtplaatdezelfde oriëntering had als de lanceerhelling, diende het magnetische kompasin principe op 0° te worden ingesteld. De gradenboog van 134° wijst erop dat geregeldV1’s gelanceerd werden met een koers die afweek van de oriëntatie van delanceerhelling. Ook de hoogte kon variabel ingesteld worden, van zo’n 2.000 meter tot laagboven de grond op het einde van de oorlog.

In West-Vlaanderen is er maar één zo’n richtplaat bewaard,namelijk in het Canadabos (stelling nr. 23). Het is opmerkelijk hoe goed een betonnen plaat van meer dan een aregroot (ca. 144 m²)in de zomer perfect gecamoufleerd is door het lover van de bomen. In Nederlandzijn later in de oorlog en in de winter, naaldbossen uitgezocht.  Ten zuiden van Rotterdam werd zelfs eenlanceerhelling in een havenloods gebouwd.

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/v1_galg.jpg

Reconstructietekening van een V1 aan eengalg boven een richtplaat (tek. Mathias Deleu) 

Op een V1-basis van het lichte type ontbraken ook de murenopzij van de lanceerhelling.  Die murenhadden overigens geen dragende, maar een beschermende functie. Hoe beter decamouflage (“Tarnung”), hoe minderbescherming er nodig was. 

 

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/v1_lanceerblok.jpg 

Bij de lanceerhelling hoorden betonnen steunblokken: tweepaar dubbele en zes paar enkele voor de schraagvormige poten van de helling,die naarmate de helling hoger werd, ook verder uiteen stonden. De enige plaatsin West-Vlaanderen waar alle steunblokken nog te zien zijn, is op de basisGroenhove bij Torhout (nr. 6). Die liggen in een privé weide bij een manege. Opde basis in het Canadabos (nr. 23) zijn de twee dubbele blokken bewaard.  De enkele blokken zijn er door landbouwersuit de buurt uit gesleurd en stuk geslagen om als funderingsmateriaal voorgebouwen en wegen te dienen.

 Tekening van het afvuurblok (Koen Coopman).   

Het massieve afvuurblok, dat de enorme terugslag van dekrachtige lancering diende op te vangen, is op een aantal plaatsen inWest-Vlaanderen bewaard. 

Wij hebben het teruggevonden op de volgende basissen:Canadabos (nr. 23), Bardelenbos (19), Houthulstbos (9), Gits (8) en Groenhove(6). Dat het er nog ligt op een aantal plaatsen, komt omdat dat blok van 5,5bij 2,5 meteren 1,40 meterdikte – wat een volume geeft van 19,20 m³ en een gewicht van meer dan 40 ton,gewapend was met 365 kgstaal van 12 mmdiameter.

 

Dit blok viel dus moeilijker in gruzelementen te slaan dande ongewapende steunblokken van de lanceerhelling.  Een landbouwer in de Kallestraat(Westvleteren, nr. 14) had het blok bij het omturnen van dat bosje totakkerland, met een kraan dieper laten kantelen. Dat heeft niet kunnen belettendat eerst zijn vader er een ploeg op geplooid heeft en nadien hijzelf er noggeregeld op stootte.  Moderne ploegenhebben gelukkig veiligheidsbouten.  Bijgebrek aan interesse om dat blok te lichten, overweegt hij nu (in het najaarvan 2006) om het te laten springen.

http://users.telenet.be/rebel_spem/V1/uitbraak_helleketelbos.jpg

 

Uitbraak van de V1-basis in hetHelleketelbos. Met de brokstukken werd de oprijlaan van Wally’s Farm (toen nog hoeve Vermeersch)verhard. (Foto Pascal Vermeersch ) 

Die afvuurblokken zijn van dwarse gleuven voorzien om destoomkatapult stevig aan de lanceerhelling te verankeren. Er zijn ook langsegleuven om rails vast te kunnen maken, zodat het wagentje de V1 precies op dehelling kan afschuiven. Ook de stoomkatapult werd over die rails aangevoerd envastgemaakt aan de lanceerhelling. Op de tekening van het afvuurblok is tussende langse sleuven nog het afvoerputje voor het spoelwater te zien. Ook dekleine vierkante sokkel voor het startapparaat is nog duidelijk te zien.

 

Wat ook nog aanwezig was op een V1-basis van het lichtetype, was een waterput. In West-Vlaanderen hebben we er maar één meer gevonden,nl. die in het Bardelenbos (nr. 19). De reststoffen van de scheikundige reactiebij het lanceren waren zo corrosief voor de metalen lanceerhelling, dat die nagebruik schoongespoten moest worden. Ook de stoomkatapult diende na elkelancering gespoeld te worden. Op zware basissen werd voor het spoelen zacht,gedemineraliseerd water gebruikt uit een aparte opslagbunker. Het water uit deput diende alleen voor bv. bluswerken. Bij een lancering kon deomgevingstemperatuur oplopen tot 450°Cen omdat er op een lichte basis geen afvuurbunker voorzien was, diende hetpersoneel zich 35 meterte verwijderen. Door die enorme belasting was een helling afgeschreven na 170lanceringen.

 

De bouw van lichte V1-basissen in West-Vlaanderen wasbedoeld om het aantal V1-basissen dat in Normandië verloren was geraakt door deinvasie en door de aanhoudende bombardementen weer uit te breiden. InNoord-Frankrijk waren er op 26 juni 1944 maar 64 bruikbare lichte stellingen endie konden maar een quotum halen van 3.000 V1’s per maand, wat ver verwijderdwas van de voorziene 8.000 lanceringen per maand.[xiii]

 

Van het 155ste Flakregiment zijn maar vierAfdelingen actief geweest.  De Eerste ende Tweede van Frans-Vlaanderen tot de Somme en de Derde en de Vierde tussen deSomme en de Seine. De Vijfde tot de Achtste lagen in Beneden-Normandië(departementen Calvados en Manche). Die waren georiënteerd op de BritseKanaalhavens. Uitstel van Operatie Overlord zou – zoals generaal Eisenhowerterecht vreesde – de invasie onmogelijk gemaakt hebben. Zo’n Afdeling (“Abteilung”) werd bediend door eenbataljon met een staf van 60 man, vier vuurbatterijen en tweebevoorradingsbatterijen. Een vuurbatterij was verantwoordelijk voor vierlanceerhellingen.  Ze telde op haar beurt40 man stafpersoneel en vier maal 65 man bedieningspersoneel.  Een bevoorradingsbatterij telde nog eens 220man.[xiv]

 

Op 1 september 1944 stond in het Poperingse de 16deBatterij klaar om enkele lanceerhellingen in gebruik te nemen.  We vermoeden die van het Helleketelbos (nr.31), het Canadabos (nr. 23), het Bardelenbos (nr. 19) en de Kallestraat (nr.14).  Die laatste basis hoorde eigenlijkbij de Batterij Vlamertinge, maar in de sector van de Batterij Poperinge warener maar drie klaar. Van die “batterij” had wellicht alleen het Helleketelboseen opgerichte lanceerhelling. Met behulp van een portaalkraan (“Nagelkran”) kon een helling echter intwee nachten opgericht worden. En zolang er bladeren aan de bomen hingen, waseen camouflagetent boven de richtplaat niet nodig.  Laat op de avond van 1 september  werd de operatie evenwel afgeblazen.

 

Maar we lopen op de feiten vooruit.  De beslissing om een Negende Afdeling op terichten in West-Vlaanderen was al genomen half mei 1944 en er bestonden noguitbreidingsplannen.  In de tweede helftvan mei komt hier personeel van de Eerste Afdeling uit het aanpalende gebiedvan de Eerste Afdeling in Frans-Vlaanderen, de zaak verkennen.  Pas na D-Day echter werd besloten om hetvoorbereidende betonwerk te laten uitvoeren door mensen van de EersteSS-Bouwbrigade, die op dat ogenblik nog op het Britse  Kanaaleiland Alderney zat.

 


[i] Hölsken,blz. 130.

[ii]Hoornaert, blz. 29-33.

[iii] http://www.huisdervleugels.be/vieillestiges/vtb_vanlierde.html

[iv] De V1’svan Eperlecques, Ardouval en Ouistreham zijn PVC-kopieën van een later type,met korte springstofcontainer. Bovendien staat op die V1’s zowel links alsrechts hetzelfde afgedrukt, wat niet kan. Voor de technische kant van de V1 ishet werk van Y. Delefosse veruit het beste. 

[v] Y.Delefosse, blz. 183.

[vi] Sylvainen Marc Demolder, Liberator crashte te Wulpen-Oostduinkerke in 1944, Eigenbeheer, 2004.

[vii] RAMA-Freiburg, RH 24/30, blz. 294.
[viii] Vaak wordt het regiment aangeduid als155ste Flakregiment (W). Die (W) slaat niet op Wachtel, maar op “Werfer”(Delefosse, blz. 26).
[ix] Hellmold, blz. 249 en 292.

[x] L.Bailleul, blz. 59.

[xi]RAMA-Freiburg, RH 24/40, Generalkommando LXV. A.K., 3-8-44, blz. 171 en18-8-44, blz. 179.

[xii]RAMA-Freiburg, RL 11/30, Gruppe Geheime Feldpolizei 716, Schlussbericht von25.2.1945.

[xiii]Hellmold, blz. 204.

[xiv]Benjamin King, blz. 129.